| Het feuilleton |
|
vroeg ze onthutst, terwijl ze rechtop ging zitten.
‘Gewoon, lopend,’ zei hij bedaard.
Ze wees op de groene stickit op zijn trui. ‘Is de portier kleurenblind?’
Hij graaide zijn jas van de tafel voor



hem, schikte die over zijn schouder zodat beide stickits aan het zicht waren onttrokken, en wandelde demonstratief van de stoel naar de deur en weer terug. ‘De portier kent me inmiddels. Hij kijkt allang niet meer naar stickits. “Dag meneer Nagtwaan, weer aan de wandel?” zei hij tegen me. De beveiliging van De Litsenburg stelt niks voor.’
‘Blijkbaar...’
|
| Ze opende haar ogen, maar wist toen niet meer waarom. Misschien had ze een ongewoon geluid gehoord, of wilde ze weten hoe laat het was. Ze draaide haar hoofd naar de tafel waarop de wekker stond, en keek in Dizzy’s gezicht. Hij zat in de harde, houten stoel, zo bewegingloos dat ze gedurende een seconde dacht met een koortsvisioen te maken te hebben. ‘Hoe kom jij hier!’ |