| Het feuilleton |
|
een blik op haar vingers. Ze waren bruinrood. Ze had een bloedneus.
‘Wat is er?’ vroeg Dizzy, afwezig naar de tijdschriften kijkend die naast de kassa waren uitgestald.
Ze hield haar rechterhand onder haar



neus, maar haar vingers konden het bloed niet tegenhouden. Het lekte langs haar arm en hals haar trui in, het drupte op de toonbank en de grond. De caissière vond het heel gewoon. Ze bood niet aan om te helpen, en beklaagde zich niet over het feit dat haar winkel op een slagveld begon te lijken. ‘Wilt u er een tasje bij?’ vroeg ze.
Dizzy had zijn ogen van de lectuur weten los te maken. Hij nam het
|