| Het feuilleton |
|
dan het hobbelige, verraderlijk gladde asfalt. Ze liepen in ganzenpas door het hoge gras dat bij iedere aanraking een glasachtig geluid gaf en afbrak.
Warja miste haar jas, haar twee truien leken uit louter gaten te bestaan. Haar


‘Een naargeestig heideveld, waar de droge, bruine heide gedeeltelijk door sneeuw was bedekt.’

ogen traanden, haar wangen waren stijf van de vrieskou. Maar het was desondanks heerlijk om door het winters verlaten, weidse landschap te lopen. Het gaf een gevoel van vrijheid, dat in een stad alleen in de bioscoop te koop was.
Ze werden omringd door weilanden, houtwallen overwoekerd door bramen
|