| Het feuilleton |
|
haar tijdens de nacht gezelschap had gehouden de koude kamer instroomde.
‘Omdat jij niet mag slapen, hoef je mij nog niet van mijn nachtrust te beroven,’ zei Warja humeurig.
‘Aansteller.’


‘Als je ergens slaperig van wordt zijn het wel die langzaam voortdobberende, wollige gevaarten.’
 Warja lachte, weifelend tussen geamuseerd en beschaamd. Ze trok haar spijkerbroek en trui aan en ging de rozen water geven. Toen ze daarna de kamer binnenkwam, pakte ze schone kleren, een stuk zeep, en de Litsenburg-
handdoek met briesend paard die ze van de kliniek in bruikleen had gekregen, en
|
Ze werd om acht uur door Dizzy gewekt. Hij klopte op de deur, en zonder haar reactie af te wachten, stapte hij over de drempel. ‘Opstaan,’ gebood hij vrolijk.
‘Hoe laat is het?’ mompelde Warja slaperig.
‘Tijd om deze wonderschone ochtend te aanschouwen.’ Hij trok het dekbed uit haar tegenwerkende handen, en sloeg het open, zodat de soezerige warmte die |