Pag. 97 Anjet Daanje - De januarikuur 20 januari 2006 - N 12 Pag. 98
eerste afl.vorige afl.volgende afl.sitemapwww.anjetdaanje.nl

Ze zette de wekker uit waardoor hij niet de gelegenheid kreeg om af te gaan, sprong kwiek uit bed, en schoot in haar spijkerbroek en trui. ‘Goedemorgen,’ zei ze opzettelijk opgewekt tegen de klagende Fleuren, toen ze haar kamerdeur opende.
‘Ga je...?’ vroeg de buurvrouw met een hoofdbeweging in de richting van NA1 en de glurende verpleegster. Zelfs het benoemen van de handeling was haar te veel.
‘Ze moet wel,’ antwoordde een Fleur uit de B-gang in Warja’s plaats.
‘Het maakt mij niet uit, hoor,’ zei Warja achteloos. ‘Het hoort er gewoon bij.’
De Fleur-vrouwen leverden achter haar rug commentaar op haar. Het was net te zacht om te verstaan.
Voor de deur van NA1 stond een groepje vrouwelijke Siamezen. ‘Wachten jullie op je beurt?’ vroeg Warja.
Een forse vrouw antwoordde uitgelaten: ‘Nee, we hebben de roos al water gegeven.’ De verzamelde Siamezen barstten in lachen uit.
Warja deed aarzelend mee. Ze begreep de strekking van de opmerking, maar de grap niet. Pas toen ze het plastic potje van de verpleegster aannam, en werktuigelijk het naamkaartje op de witgesteven borst las, zag ze dat haar

voornaam Roos was.
Sneller dan Warja zich kon aankleden en naar de eetzaal kon begeven, verspreidde de uitspraak zich. In de ontbijtrij ving ze verschillende keren het woord ‘rozen’ in combinatie met ‘water’ op. De mannen wilden niet voor de vrouwenlol onderdoen, en probeerden op de naam van de verpleger die hen controleerde, net zo’n goede grap te bedenken. Harm betekende echter niets. Er rijmde hoogstens ‘arm’, ‘darm’ en ‘warm’ op, waardoor de bedenksels steeds flauwer en schuiner werden.

Warja zag Dizzy pas aan de lunch. ‘Hoi,’ zei hij terwijl hij voorzien van een hollebolle maaltijd naast haar kwam zitten.
‘En,’ vroeg Warja met leedvermaak, ‘ben je gisteravond nog veilig thuisgekomen?’
Dizzy grinnikte geamuseerd, alsof hij meer van zijn tekortkomingen hield dan van zijn talenten. ‘Mijn richtingsgevoel liet me enigszins in de steek, maar op deze manier heb ik onderweg wel van alles beleefd.’ Hij had reeënsporen in de sneeuw op de binnenplaats gezien, en weefde er een poëtisch verhaal omheen waarin de ranke dieren ‘s nachts nieuwsgierig door de ramen van de

eetzaal naar binnen gluurden om te weten te komen wat zich daar afspeelde.
‘Waren het geen schapenprenten?’ informeerde Warja nuchter. Achter de noordvleugel was een weiland met een gammel schuurtje waarin een stuk of tien schapen waren ondergebracht. Gezien de verwaarloosde staat van de stal was het niet gek dat er een gat in de omheining zou zitten.
Dizzy wilde protesteren, maar op dat moment kwamen dokter Romboud en een gedeelte van zijn staf de eetzaal binnen. Een zeldzame verschijning want op de eerste verdieping van de Oude Weverij was een personeelskantine. Via een domino-effect verplaatste de respectvolle stilte zich van tafel negen de hele zaal door, naar twee en drie.
Aan tafel zeven groette een Oude Rot dokter Romboud, en hij bleef grijnzend, met zijn rechterhand verlegen aan zijn witte jas plukkend, staan praten. Zijn staf zette zich ondertussen met een uitgebreide lunch aan tafel één. Dit was de reden waarom die tijdens vorige maaltijden angstvallig leeg was gelaten.
Nu duidelijk was dat dokter Romboud zich slechts vriendschappelijk onder zijn cliënten begaf, begon iedereen weer te eten en te praten. Gebogen over haar omelet met groene kruiden keek Warja

hoe dokter Romboud als een rechtschapen vader zijn aandacht gelijkelijk over alle tafels verdeelde. Hij deed het bewust. Hij wilde laten blijken dat hij persoonlijk contact met de bewoners van zijn vleugel op prijs stelde, en bovendien had hij gemerkt hoe geliefd het hem maakte. Maar hij voerde het zo onhandig uit dat iedereen hem die opzet vergaf.
Na de Fleuren te hebben bezocht, hield hij stil bij de Geldwolven-tafel. ‘En hoe bevalt het hier?’ vroeg hij, verlegen door zijn haar wrijvend.
Ze vertelden met chaotische ijver dat ze het in de kliniek erg naar hun zin hadden.
‘De lunch is ook naar wens?’
‘Ja, zeer zeker. Het is heerlijk,’ beaamden ze.
‘Ik kom hier niet voor niets eten,’ grijnsde dokter Romboud. ‘Ik eet zelfs ‘s avonds wel eens in de kliniek, maar dan moet ik thuis wel de toorn van mijn vrouw verduren.’
Warja had de anderen het woord laten doen. Dizzy had ook gezwegen, maar Warja zag aan de niet-luisterende, ongedurige blik in zijn bruine ogen dat hij op een geslaagde opmerking zat te broeden. ‘Zelfs de reeën eten hier graag,’ was zijn bijdrage aan het


Plattegrond

z.o.z.