|
hun schouders ophaalden en verder aten.
De jongen had zich op zijn stoel laten zakken, zijn hoofd achterover op de stoelleuning. Hij zag eruit alsof wat hem betrof de reddingsactie nu wel voorbij mocht zijn. Hoe langer de Fleur benadrukte dat de Oude Rotten en zijn tafelgenoten hem hadden moeten helpen, en zij die opvatting duidelijk als overdreven beschouwden, hoe beschamender hij zijn wanhoop begon te vinden.
De Geldwolf die tegenover Warja aan tafel zat, en tot een paar minuten geleden tegen iedereen in zijn omgeving over hoofdpijn had geklaagd, zei de hele maaltijd niets meer. Het was iedereen duidelijk dat er van een goede noordvleugelcliënt loyaliteit werd verwacht. Het was niet de bedoeling om het belang van de medische wetenschap boven dat van de kliniek en dokter Romboud te verkiezen. Geneesmiddelen die in De Litsenburg werden getest, mochten en konden geen vervelende bijwerkingen hebben. Het waren op een bepaalde manier immers ook de medicijnen van de bewoners van de kliniek. Zaniken over hoofdpijn of een bloedneus was hetzelfde als tegenover
|
|
buitenstaanders je vrienden afvallen.
Na het eten lag Dizzy weer op het onopgemaakte bed op Warja’s kamer. Warja las.
‘Toch is hier iets aan de hand,’ zei hij peinzend, alsof de stilte die in de kamer hing, hem, net als Warja vanmiddag, had tegengesproken.
‘Misschien...’
‘We starten een onderzoek om het onderzoek in de noordvleugel te onderzoeken. Dat kan geen kwaad. Vind je wel?’ Hij probeerde met nodeloze vragen Warja’s aandacht van haar boek af te leiden.
‘Nee, dat kan geen kwaad...’
‘Precies.’ En pratend tegen het plafond, alsof hij de minister van Volksgezondheid was en daar boven hem een lastige journalist zweefde die hem een bindende uitspraak trachtte te ontfutselen, voegde hij er ironisch aan toe: ‘We gaan dit tot op de bodem uitzoeken!’
‘Ja...’
‘Morgen,’ zuchtte hij vermoeid zijn ogen sluitend, ‘morgen, niet vandaag alsjeblieft.’
Daarna werd het stil. Warja wierp een snelle blik op hem omdat ze zich afvroeg of hij soms in slaap was gevallen. Ze
|
|
dacht het niet, helemaal zeker was ze echter niet van haar zaak. Zijn ogen waren gesloten en hij haalde langzaam en diep adem.
Een paar alinea’s verder ging hij ineens gedreven rechtop zitten. ‘Operaties in het leger en bij de politie hebben altijd een codenaam. Dat moeten wij ook hebben. We noemen het Nachtzwaan.’ Hij glimlachte ingenomen met zichzelf, en wachtte op Warja’s bijval, of liever nog: op de stilte die aangaf dat ze hem niet kon volgen.
‘Mmm,’ bromde Warja, terwijl ze de bladzijde omsloeg.
‘Hé, doe niet zo ongezellig. Luister je wel? Leg dat boek eens weg!’
Warja liet het in haar schoot zakken, en keek Dizzy met vragend opgetrokken wenkbrauwen aan.
‘Nachtzwaan,’ herhaalde hij. En toen ze niet onmiddellijk reageerde, voegde hij er ongeduldig aan toe: ‘Snap je? Een combinatie van onze achternamen: Nagtwaan plus Nagtzaam geeft Nagtzwaan.’
‘Leuk bedacht,’ vond Warja. Ze wendde haar gezicht naar de muur waartegen haar bed stond, zodat hij de toegeeflijke glimlach die haar mond vertrok niet kon zien. Dizzy was een vertederende fantast. Er was helemaal geen operatie.
|
|
En al besloten ze om die wel in het leven te roepen, een codenaam was zeker het laatste dat ze nodig hadden.
‘De nachtzwaan is een bijzonder zeldzame vogel,’ reciteerde Dizzy uit een onzichtbare vogelgids. ‘Hij is zwart als de nacht, heeft een vleugelspanwijdte van twee meter en is nog nooit slapend waargenomen. Om beurten broeden het mannetje en het vrouwtje op de lichtbruin gespikkelde eieren. Maar omdat zij moeilijk uit elkaar zijn te houden, verkeren vogelaars wel eens in de waan dat de vogels samen zijn, terwijl er in werkelijkheid maar één is die zo nu en dan opvliegt en weer op het nest terugkeert.’ Hij grinnikte. ‘Snap je? Ze wanen zich samen: Nagtwaan en Nagtzaam.’
© Anjet Daanje, 2005
|