|
vermaakte, maar omdat het van haar werd verwacht. Ze was verongelijkt over het feit dat zij werd geacht geestdriftig met Dizzy’s verleden mee te leven, terwijl hij het niet eens had kunnen opbrengen om interesse voor haar verhaal voor te wenden. Om mensen naar je te laten luisteren, was het niet voldoende om wat zinnen aaneen te rijgen. Je moest het met blinde overtuiging doen, de overtuiging dat alleen jij wat te melden had. Pas dan had je werkelijk toehoorders. En dat was oneerlijk. Want ook mensen zoals Warja, zonder die overtuiging, hadden wel eens wat te vertellen.
Dizzy’s relaas ontspoorde enigszins. Hij raakte verstrikt in een kleurrijke uitweiding over zijn opa, waarin vier gelovigen, een dode, een tiental kippen en een bevroren waterleiding figureerden. Hij kwam nooit meer op zijn uitgangspunt, het Russische Goede-Reis-bureau, terug. Maar dat was ook aan Warja te danken die het had opgegeven om aansporende vragen te stellen. Het verhaal bloedde zachtjes dood nadat het lijk van de gelovige in zijn geliefde kippenhok was begraven.
Het was halftwaalf toen Dizzy besloot om weg te gaan, een halfuur na de
|
|
sluiting van de noordvleugel. ‘Geen probleem,’ verklaarde hij zorgeloos. Hij verschoof de stoel, klom erop, en opende het dakraam, waarbij een vrachtje sneeuw Warja’s kamer binnengleed. Hij keek uit over het dak. ‘Een nachtelijk avontuur. Dat past bij slapelozen.’ Met enige moeite hees hij zich op het dak, en Warja klom op haar beurt op de stoel.
Dizzy leunde met zijn hand in de sneeuw


 die aarzelend op het dak tegenover het raam was blijven liggen. Warja keek langs de hier en daar verlichte glazen panelenrij naar de binnenplaats, die door onvriendelijke, kasteelachtige silhouetten werd begrensd.
‘Gelukkig bezit ik een uitmuntend richtingsgevoel,’ zei Dizzy, ‘al die daken lijken op elkaar.’
|
|
‘Dat is een pak van mijn hart,’ verzekerde Warja hem ironisch.
Hij begon naar links te lopen. Zijn voeten zorgvuldig voor elkaar in de smalle, vlakke ruimte tussen de daken zettend. Zijn linkerhand voorzichtig steunend tegen de dakramen die hij passeerde. Zijn rechter wat steviger rustend op het schuine dak.
‘Welterusten,’ fluisterde hij.
‘Dag.’
Ze keek hem nog eventjes na, hoe hij zich over het besneeuwde dak voortbewoog en een vreemd sleepspoor op de pannen achterliet. Ze lachte zachtjes tegen zichzelf. Of hij koos met opzet de weg over de binnenplaats, waar iedereen in de noord- en de oostvleugel hem kon zien. Of zijn uitmuntende richtingsgevoel liet hem in de steek.
© Anjet Daanje, 2005
|
|
|