Pag. 9 Anjet Daanje - De januarikuur 11 november 2005 - N 2 Pag. 10
eerste afl.vorige afl.volgende afl.sitemapwww.anjetdaanje.nl

spel waarin Yolanda uitblonk, waarvoor ze bestond. In alle beschaafdheid kon ze er met collega’s strijden om opdrachten, banen en aanzien. Niet alleen strijden, ook winnen. Ze was weliswaar niet meer bereid om letterlijk bloed te laten vloeien om haar zin door te drijven, maar ze vond het nog steeds heel gewoon om te liegen, haar charmes ongegeneerd in de strijd te gooien, of om zonder scrupules mensen op haar onvermijdelijke weg naar boven te vertrappen. Die eigenschappen van Yolanda waarvan Warja vroeger zo’n last had gehad, werden bij Dudocq niet alleen getolereerd, ze werden bewonderd, en gezien als de ideale bagage om het ver te schoppen.

Het zingende, door weilanden en dorpen sukkelende treintje, paste volstrekt niet in het door Warja in de loop van de jaren opgebouwde beeld van Dudocq. Misschien was haar voorstelling van Yolanda’s werkgever gekleurd. Warja wist niet of die mogelijkheid haar blij maakte, omdat het haar verblijf in De Litsenburg aanzienlijk zou veraangenamen, of dat ze juist de pest had aan haar eventuele ongelijk, omdat ze tegelijkertijd met haar mening over Dudocq ook haar oordeel over het
verlengstuk daarvan, Yolanda, zou moeten herzien.
Ze keek uit het raam naar de voorbijtrekkende weiden, de bruinmodderige bouwlanden, de bedrijvige en tegelijkertijd van landelijke rust getuigende boerderijen, de houtwallen die de kavels geometrisch en toch ook slordig verdeelden. Warja’s zus zou zich in zo’n omgeving nooit vertonen, tenzij men plannen had om er een snelweg doorheen te leiden. De afstand tussen twee restaurants was hier voor haar veel te groot. Op het uitzicht had ze geen grip omdat aan de opbouw ervan nauwelijks mensenhanden te pas waren gekomen. Het treintje reed tientallen kilometers te langzaam om aan de eisen van haar veeleisende dagschema te voldoen, en het feestelijke getoeter waarmee het zijn eindpunt aankondigde om vervolgens nog even verder te sukkelen, zou ze ontzettend onprofessioneel hebben gevonden, want blijdschap over een vanzelfsprekende gebeurtenis als de aankomst van een trein illustreerde slechts het onvermogen van de spoorwegmaatschappij.

Ook het gebouw van De Litsenburg was niet wat Warja zich ervan had
voorgesteld. Ze had geweten dat het niet zoals de Dudocq-building in de stad lag, maar had toch op een abstracte manier net zo’n arrogant afstandelijk, modern bouwwerk verwacht. Voordat een reiziger uit het noorden met de trein Sigmortel Centraal binnenliep, moest hij audiëntie doen bij de alles in zijn omgeving overschaduwende Dudocq-building. Met opzet was de middelste van de drie flats hoger gebouwd dan de prachtige, veertiende-eeuwse Reierstoren. De president-directeur moest kunnen neerkijken op de kerkklok en het haantje. Alleen God zat nog net wat hoger.
De Litsenburg was ook imposant en groot, maar dan op de gemoedelijke, niet door de mens geplande, vanzelfsprekend uitdijende manier van een babyolifant. Er was een gebouw dat vier verdiepingen telde. Zijn minder pretentieuze buur was alleen aan de uiteinden even hoog, het had in het middenstuk de moed opgegeven en bestond daar nog maar uit drie lagen. Er waren meer bescheiden, in de breedte gegroeide gebouwen, zelfs een soort enorm lange schuur met een vreemd dak in de vorm van een zaagtand. Er waren vertederend naar de hemel verlangende bouwsels: een rechthoekige toren met
de allure van een kasteel, een zeshoekige toren met ronde ramen waarin bloemmotieven waren verwerkt, en twee fabrieksschoorstenen.
Men had bij de verschillende stadia van de bouw geaarzeld tussen het eenzelvig onschendbare van een middeleeuwse burcht en het rijke krullerige van een koopmanswoning. De twee halfcirkelvormige poorten behoorden tot het burchtuiterlijk, en ook de ruime binnenplaats en de stoere muur die met zijn kantelen het grootste gedeelte van het complex omvatte, deden aan een kasteel denken. Een klokgevel boven een van de poorten, de twee Zwitsers aandoende galerijbruggen over het spoorlijntje dat dwars door het complex drentelde, en de misschien wel honderd gigantisch grote ramen met een verfijnde verdeling in vierkanten, zorgden voor het koopmansuiterlijk.
Het geheel was niet echt mooi. Het was aandoenlijk en onbeholpen in zijn poging om te imponeren, en tegelijkertijd maakte het een troosteloze indruk omdat het het nabije industriële verleden opriep. Het was vooral een nuttig gebouw geweest. Een gebouw waarin meedogenloos hard was gewerkt voor te weinig geld. Het was een monument voor de tijd waarin de

z.o.z.