|
zich voelen als hij op de aarde neerkijkt en miljarden mensen zich ziet opwinden over zaken waarvan Hij het verloop al weet. Wroeging over de moord is helemaal niet op zijn plaats. Want waarom zou men zich anders op de bloederige details storten als een meute wolven op een prooi? Ze genieten er net zo van als ik heb gedaan. Gij zult niet doden, is slechts een schijnheilig gebod. Gij durft niet te doden, is beter op zijn plaats.
Peter R. de Vries wijdt een aflevering aan het dos-
sier Barbara Faber, waarin ook haar man, Willem Faber, aan het woord komt. Hij zit stijfjes op de bank waarop Barbara van plan was mij te kussen, zijn hand op de plaats waar zij haar middelvinger heeft verloren. Hij is vastbesloten zich voor de lens van de camera niet te laten gaan. Hij hield van zijn vrouw, vertelt hij, hij heeft haar nooit een haar gekrenkt. Ik moet diep zuchten om de duisternis die achter mijn ribben uitzet terug te dringen. Ik hoef me niet voor te stellen hoe het is om Mireille te verlie-
zen. Ze is weliswaar naar haar cursus keramiek maar straks komt ze thuis. |
|
|
Willem Faber is de enige reden waarom ik soms berouw over mijn daad voel. Het interview met Peter R. de Vries stelt me echter gerust. Willem Faber is eerder woedend dan verdrietig. Hij komt
’s ochtends zijn bed nog uit en kleedt zich aan om naar zijn tuincentrum te gaan, hij heeft nog de trots om niet in snikken uit te barsten voor een miljoenen-
publiek. Hij mag van mij best beweren dat hij van zijn vrouw hield, maar ik geloof hem niet.
Uit gesprekken met familie, vrienden en buurtbe-
woners reconstrueert Peter R. de Vries de laatste dag van Barbara Faber. De ochtendzoen van haar man, een telefoontje van een vriendin, het winkelbe-
zoek aan Utrecht dat hoogstwaarschijnlijk nooit heeft plaatsgevonden omdat niemand haar heeft zien wegrijden en de politie ook geen pas gekochte artikelen heeft gevonden. Alle betekenisloze hande-
lingen van Barbara Faber die mensen zich anders niet zouden herinneren zijn nu als voortekenen in hun geheugen gebrand. Ze hebben een zielige bijsmaak gekregen. Want wie zou er nu willen gaan winkelen |
|
|