|
het Martinikerkhof - geen kerkhof, zoals de naam misschien doet vermoeden, maar een soort hofje achter de Martinitoren. Een minuut of vijf was hij de enige nachtelijke bezoeker geweest, toen verscheen er een groep bestaande uit, hij dacht, zeven jongens. Hij fotografeerde hen terwijl ze zelfverzekerd het grasveld overstaken. Ze kwamen vanuit de St. Jans-
straat en liepen in de richting van de Kreupelstraat
- die de westzijde van het Martinikerkhof begrenst - en precies toen de hele groep uit de schaduw van de kastanjebomen bij de Martinikerk stapte, knipte hij af.
Mensen reageerden wel vaker wanneer hij foto’s van hen nam, er waren er die vroegen of ze een afdruk mochten hebben, die wilden weten waarom hij speciaal hen fotografeerde, die wilden poseren in een - dat geloofden ze tenminste - mooie pose, ook waren er die kwaad werden, maar meestal wist Goof hen met een redelijke uitleg te kalmeren. Waarom het met deze jongens zo uit de hand was gelopen, begreep hij achteraf gezien niet meer. Het was begonnen toen een van hen treiterend naar hem |
|
|
had geroepen: ‘Hé fotograafje, wie heeft jou toe-
stemming gegeven ons te fotograferen?’
Hij kon zich niet herinneren wat hij had geantwoord, misschien had hij ook niets gezegd omdat ze hem daar de kans niet toe hadden gegeven. Ze waren op hem af gelopen, ze hadden hem bespot en verne-
derd, en hoewel zijn verstand had geweten dat het heel erg stom van hem was, was hij ziedend gewor-
den. Wie de eerste klap had uitgedeeld wist hij niet meer, misschien was hij het zelf geweest, in ieder geval had hij met de jongen die de leider leek te zijn gevochten. De groep jongens had rondom hen staan joelen en schreeuwen, een paar van hen had hun vriend geholpen - onnodig want Goof was bijna een hoofd kleiner dan zijn forse tegenstander - ze had-
den hem getrapt en in elkaar geslagen, en waren vervolgens, alsof er niets aan de hand was, verder gelopen, hem bloedend in het gras achterlatend.
Hij had naar hun voetstappen geluisterd, en naar de geluiden van het door de Martinikerk van hem gescheiden nachtleven, lachende mensen, roepende |
|
|