|
voor de gek houdt en vervolgens in stilte uitlacht.
Toen Gösta Drabbe een halfjaar geleden met het model voor Vorm met gat IV naar de Mirandol Studio kwam, wilde hij het in zwart marmer laten uitvoeren. Nan heeft hem dat met moeite uit zijn hoofd gepraat. In marmer zou het beeld te nuchter zijn geworden. Het beige Iraanse travertijn, met het onregelmatige oppervlak en de honderden kleine gaten erin, heeft het beeld speelser gemaakt, en door de tegenstelling tussen uitwerking en ontwerp
is het een intrigerend geheel geworden.
Nan is achtentwintig en werkt nog maar anderhalf jaar in de Mirandol Studio, die net is opgericht en alleen uit een ornamentenafdeling bestaat. Ze maakt gargouilles, versieringen voor in schoorsteenmantels, gevels en altaars, en kopieën van oude beelden voor in kerken en de tuinen van rijke particulieren. Vorm met gat IV is, sinds haar terugkeer uit Italië, pas haar tweede echte sculptuur. Ze is er trots op alsof het haar eigen beeld is. In de stoffige omgeving van de studio was het een alledaags voorwerp dat, net als haar gereedschap, bij haar werk hoorde, en |
|
|
waar, in opdracht van de kunstenaar, voortdurend veranderingen in moesten worden aangebracht. Maar nu is het onomstotelijk voltooid. Het staat in een expositieruimte op een sokkel, het is ineens een kunstwerk geworden. Het is vreemd. Omdat ze zich nog herinnert hoe het blok Iraanse travertijn in de studio arriveerde, hoe ze het beeld in de punten heeft gezet, hoe ze er met een job het eerste stuk afsloeg, kan ze de sculptuur niet ervaren zoals een willekeurige bezoeker van de vernissage dat doet. Voor haar schemeren de opeenvolgende stadia die het beeldhouwwerk onder haar handen heeft door-
lopen erin door. Het bestaat uit honderd zomerda-
gen, veertig discussies met Gösta, vijftig bestofte, gestolen kussen onder werktijd, dertig keer achter op zijn fiets met hem naar huis, en één gebroken Michelangelo.
Iedere keer als Nan Gösta begroet, is hij weer een andere man. Hij speelt zichzelf in plaats van het te zijn. Het is net als met zijn beelden. Ze zijn nooit |
|
|